Historiek

De geschiedenis van Theater Rhetorika gaat terug tot 1840, toen in Zele een “Zang- en toneelmaatschappij” werd opgericht.

De evolutie naar de vereniging die we vandaag kennen, startte ruim veertig jaren geleden, wanneer regisseur Paul Haemelinck aan het roer kwam. Hij voer met Rhetorika een vastberaden koers naar kwaliteitsvolle producties, en gaf mee de impuls voor de oprichting van Jeugdtheater Rhetorika. Deze jeugdafdeling werd in 1997, net vóór haar 25ste jubileum, uitgeroepen tot beste jongerentoneel van Oost-Vlaanderen, en reeg sindsdien een indrukwekkende reeks onderscheidingen aaneen. Maar de jeugdwerking zorgde in die 40 jaar vooral voor toneelplezier voor vele tientallen jongeren.

Het palmares van Theater Rhetorika – vele jaren onder de artistieke leiding van Roger Bolders – telt tal van vermeldingen op provinciale en nationale wedstrijden. Eén van de hoogtepunten was ongetwijfeld de overwinning in het Nationaal Landjuweel, in 1992 met “Victor of de kinderen aan de macht”.

De jongste jaren viel de programmatie van het Zeelse gezelschap op door de verscheidenheid van de gebrachte producties: van Woody Allens koldereske “God” over de klassieker “De Koning Sterft” van Ionescu, tot het vernieuwende “Boste” van Arne Sierens.

Theater Rhetorika speelt al decennia in de hoogste, of op één na hoogste, categorie van het provinciaal klasseringstornooi. De jongste jaren zette de vereniging sterk in op de verjonging van haar werking. Vandaag kunnen we rekenen op een stevige en heel levendige groep theatermakers die jaarlijks verschillende producties op de planken brengen.

175 jaar Theater Rhetorika in Zele

In januari 1840 beloofden een aantal achtbare heren plechtig om in Zele een Maatschappij van Rhetorika op te richten.
Op die manier wilden ze de plaatselijke bevolking laten genieten van hun activiteiten op het gebied van de nobele kunst van Rhetorika, de ‘leer der welsprekendheid’.
De heren (inderdaad: geen dames…) wilden het goed doen.
Ze schreven een mooie stichtingsakte, en beloofden daarin plechtig om geen toneelstukken te vertonen die ‘tegenstrijdig zijn aan geestelijke of wereldlijke overheden’.
Meer nog: vooraleer ze aan een nieuw stuk gingen beginnen, zouden ze dit door diezelfde overheden laten ‘onderzoeken’.
Ze zouden dan ook geen stuk ‘representeren zonder dat de voorzitter is komen vragen’ (aan die overheden dus) ‘of het goed of slecht of gepermenteerd is.’
Overigens, niet alleen wàt er werd gespeeld, maar ook wié er speelde, werd streng in de gaten gehouden:
‘Als de heren minnaars van redenkunde op den tiaeter spelen, dan mogen er gene anderen op dien tiaeter komen, tenzij met goedkeuring van de pastoor en van de burgemeester.’
De heren minnaars van redenkunde beloofden geen stukken te vertonen die ‘tegenstrijdig zijn aan de goede zeden, én alle omhelzingen die in de stukken komen daar te laten.’
En alsof dat nog niet genoeg was, beloofden ze statutair ook nog: ‘Gedurende de repetitie alsook ter uitvoering van de stukken zullen er geen godslasteringen mogen plaats hebben, op boete van een halve frank en bij hervalling het dubbel.’
Gelukkig waren de vroede voorvaderen ook maatschappelijk geëngageerd, want die boetes werden verzameld ‘in profijt van de armen van Zele’.
Het resultaat was wellicht dat er duchtig gevloekt werd, want het was toch voor ‘het goede doel’…
En tenslotte (en daarmee werd dan bij sommigen het lààtste greintje goesting weggenomen): ‘Verder mogen er op het toneel geen vrouwspersonen worden toegelaten tot het kleden der acteurs of wat dan ook.’

Ondanks al die pogingen om ’t plezier te bannen, heeft de maatschappij van Rhetorika dan toch in de negentiende eeuw een geweldige bloei gekend.
De stukken die toen gespeeld werden waren voornamelijk ‘zangspelen’, gebracht door ‘volksjongens die, met zoveel ijver bezield, jaarlijks aan de bevolking van Zele weten te tonen dat er in hun hart een vurige drift huist voor al wat schoon, nuttig en leerzaam is…’ (uit een recensie in 1886).
Trouwens, lid worden van de maatschappij ging niet zo gemakkelijk: je moest immers ‘als eerlijk en rechtschapen man gekend zijn’, en ‘leden welke zich zouden durven plichtig maken aan wandaden of buitensporigheden kunnen uit de maatschappij verbannen worden’.
En wie zich vragen stelt bij al dat ‘herenvermaak zonder vrouwspersonen’: na verloop van tijd zijn de Rhetorika-heren toch wat vrouwvriendelijker geworden, want tegen het laatste kwart van de 19e eeuw mochten er èchte dames meespelen (ongetwijfeld gecontroleerd door de burgemeester).
Maar… die dames moesten hiervoor wel betaald worden, ofwel in harde cash: ’80 frank en voor hunnen kapper 11 frank’, ofwel in natura: ‘met eene serenade aan huis en tevens een paar gouden oorslingers met medaillon’.
(Tussen haakjes: het was pas in 1982, en dit na een heroïsche strijd waarvan sommigen de sporen nu nog dragen, dat vrouwen officieel lid konden worden van Rhetorika – een serieuze besparing, want zo moesten dames niet meer vergoed worden, integendeel ze betaalden zèlf om erbij te mogen zijn…)

Na die lange bloeiperiode in de negentiende eeuw, ging het na de 1e wereldoorlog met Rhetorika bergaf: zo zijn er jaarfeesten waarop er maar 26 man komt eten (maar natuurlijk: elk nadeel heb zijn voordeel, want in het kasverslag van dat jaar lezen we: ‘op den tombola heeft ieder eenen prijs’).
En dat die jaarfeesten niet altijd bevorderlijk waren voor de huisvrede, lezen we in het officieel verslag van de Ceciliafeesten van 1939:
‘Een spijtig voorval was er met een van onze beste vrienden. Hij zegde: “Mijn schatje is niet thuis, ik riskeer niet, ik ben vrij, geeft ons nog eentje.” En als hij thuis kwam, goed aangedaan, welke verrassing: zijn schat was met de vliegende post toegekomen en lag reeds in haar bed, en zegde: “Hemel ventje, zo laat!” waarop het ventje het antwoord schuldig bleef en seffens insluimerde.’
De secretaris besluit zijn (ooggetuigen-?)verslag, met de wijze woorden: ‘Dit was nog het beste gedacht’.
En helemaal het dieptepunt maakt Rhetorika mee op één van de laatste bestuursvergaderingen van 1939: volgens het verslag wordt nu ‘aan de leden getoond alles wat nog overblijft van een toneelmaatschappij die al honderd jaar bestaat, zijnde nog een herdersschupje en een haren pruikje van een pop’.

Gelukkig herpakt Rhetorika zich na 1945 en komen de toneelopvoeringen stilaan weer op gang.
Dank zij huisregisseurs als Arthur Quintus, Paul Haemelinck, en vanaf halfweg de jaren 70 Roger Bolders groeit Rhetorika tot de vereniging die we nu kennen.
Eén van de laatste wapenfeiten van Paul Haemelinck is trouwens in ’73 het initiatief tot de oprichting van het Jeugdtheater Rhetorika, waardoor de vereniging zich verzekerd zag van de constante medewerking en instroom van de jeugd – wat ongetwijfeld één van de huidige sterktes is.
Wie de geschiedenis van Theater Rhetorika wil bekijken, kan een lijvig artikel daarover terugvinden in het Jaarboek 1992 van de Zeelse Heem- en Oudheidkundige Kring, een artikel dat toen geschreven werd n.a.v. de overwinning in het Nationale Landjuweel.
Ondertussen is Theater Rhetorika begonnen aan zijn 176e bestaansjaar, en de vereniging kijkt vol vertrouwen uit naar de toekomst. Dank zij de samenwerking met professionals als Marc Lauwrys, Tijl Dauwe, Dirk Crommelinck blijven we het niveau handhaven dat door de vroegere ‘huisregisseurs’ werd gevestigd.
En nu… uitkijken naar het 180jarig bestaan in 2020!

Frank Van Mossevelde

175 jaar groepsfoto

We vierden ons jubileum met 2 groots opgezette producties: De Leurders van ‘t Endeken – een volks toneelstuk over de lotgevallen van het Zeelse leurdersvolk, met zang en dans en in ‘t Zils –  en Figaro? Figaro!!! een gloednieuwe musical van het team Frank Van Mossevelde (tekst), Bart Picqueur (muziek) en Tijl Dauwe (regie).
De twee voorstelling konden op veel toeschouwers en evenveel waardering rekenen: een telkens meer dan 1000-koppig publiek genoot van zoveel jong en rijp talent op de planken, zowel in ons vertrouwde Gildenhuis als in het gloednieuwe gemeenschapscentrum De Wiek.

Uit de spreekwoordelijke oude doos van 175 jaar Rhetorika, tot slot:

Info over voorbije producties: klik hier